Marie-Josée Dries - 06 22455433       Gert van der Kolk - 06 51050119 info@oio.nl

Het tweede van drie stukjes over integraliteit. Hier is het eerste; het derde later deze maand.

Product

Integraliteit realiseren is grenzen stellen, om te voorkomen dat alles met alles gaat samenhangen.

Dat begint met de notie dat vraagstukken het product zijn van sociale interactie. Buigen we ons over de vraag of we hier een brug over de rivier bouwen, of een oeververbinding realiseren? Welk vraagstuk we oppakken is de uitkomst van de omgang met anderen: van het zoeken naar gemeenschappelijkheid, van sociale strijd, van het laten gelden van je macht.

Vraagstukken zijn niet meer of minder integraal, we maken ze zo.

En dan liever niet, door alles met alles te laten samenhangen. Dan wordt het speelveld grenzeloos. En dat leidt tot een conceptuele white out.

Grens

Neem om je dat voor te stellen een vel wit papier en trek dat aan alle zijden uit tot voorbij de horizon. Dat ziet er waar je ook gaat hetzelfde uit, met als vervelende consequentie dat het geen zin heeft om in beweging te komen. Dat kost alleen maar energie en het brengt je, waar je al was: het verlammende, stollende effect van AHMAS.

Zet nu op dat vel een streep: je trekt een grens. Meteen gebeurt er iets. Er ontstaat ten opzichte van die grens een hier, en dus ook een daar. Je kunt om de grens heen lopen, en waar een “omheen” is, is een binnen en dus ook een buiten.

Willen we een vraagstuk integraal maken, bijvoorbeeld omdat we denken dat dat tot effectievere oplossingen leidt, dan moeten we een grens trekken. Niet te krap, want dan is het sectoraal. Niet te ruim, want dan gaat toch weer alles met alles samenhangen.

Drie stappen

Dat kan in drie stappen.

Als eerste stap breng je de binnen- en buitenkant van het vraagstuk in kaart, bij voorkeur met de partijen die elkaar nodig hebben om een oplossing te realiseren.

De binnenkant van het vraagstuk bestaat uit een met die partijen bereikte overeenstemming over hoe het vraagstuk eigenlijk luidt. Waarom is het een probleem? Wat willen we met de oplossing ervan bereiken? En aan welke criteria moet een oplossing voldoen?

De buitenkant is wat er aan structuur en cultuur om het vraagstuk heen zit. De juridische, sociaal-culturele, economische en politieke aspecten. De verhalen die erover worden verteld, die metaforen die erbij worden gebruikt.

In stap twee check je of het vraagstuk homeomorf is. De term komt uit de topologie. Het wil zeggen dat twee objecten in elkaar kunnen overgaan zonder dat je ze kapot hoeft te maken (scheuren, plakken). Een veel gebruikt voorbeeld: een koffiebeker heeft in essentie dezelfde vorm als een donut. Toegepast op een vraagstuk: dat is integraal als betrokken partijen daarin hun eigen belangen kunnen projecteren, zonder dat ze het vraagstuk stuk maken.

En in stap drie ga je na, of het vraagstuk niet per ongeluk een vermomde oplossing is. Want is het dat wel, dan is het misschien sectoraal; gewenst door de een, een bron van weerstand voor de ander.

Oplossen

Bijvoorbeeld. Het vraagstuk “Welk watermanagement hebben we hier nodig?” is integraler dan “Hoe keren we het water?”. “Hoe voeren we betaald parkeren in?” gaat over een oplossing. “Hoe lossen we het parkeerprobleem in de binnenstad op?” is geen integrale vraag; “Hoe houden we de binnenstad bereikbaar?” wel.

Vraagstukken – integraal of sectoraal – zijn er om te worden opgelost. Dat kun je enkel- of meervoudig benaderen. Daarover in het derde, laatste, deel.