Marie-Josée Dries - 06 22455433       Gert van der Kolk - 06 51050119 info@oio.nl

Pilots

De eerste keer dat ik met het fenomeen van experimenteel besturen in aanraking kwam heette het denk ik nog niet zo. Net uit de collegebanken werkte ik bij het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Ik had er voor te zorgen dat in tien gemeenten een pilot van de grond kwam met het vormgeven en uitvoeren van lokaal geïntegreerd jeugdbeleid. Er was geld om die pilots vier jaar te financieren. Van mijn bazen kreeg ik mee dat er veel ervaring moest worden opgedaan hoe je uit uiteenlopende domeinen als jeugdhulp, onderwijs, jeugd- en jongerenwerk en cultuur een samenhangend en nuttig aanbod voor jonge mensen kon smeden. Verder moesten de pilots een beetje evenwichtig over het land worden verspreid. En het was niet de bedoeling dat er geld overbleef of tekort was.

Binnen die ruime kaders kon ik aan de slag. Een regeling op papier zetten, netwerken aanboren om kansrijke pilots op te sporen, uitvragen doen en reacties beoordelen, afreizen naar alle hoeken van het land en uiteindelijk de afspraken rondmaken. Het was een erg leuke en leerzame opdracht.

Experimenten

Maar ik zou er veel meer van hebben gemaakt als ik had kunnen beschikken over een publicatie als “Experimenteel bestuur. Van mogelijke naar haalbare naar gangbare vernieuwing” van Suzanne Potjer. Experimenteren in het publieke domein moet verder gaan dan het opzetten van losse experimenten, is daarin de leidende gedachte. Die experimenten moeten al lerend met elkaar worden verbonden en de opbrengsten moeten worden vertaald in de institutionele wereld.

Doorwerken

Dan had ik begrepen dat de pilots waarvoor ik op pad was zogenoemde generatieve experimenten zijn, waarin het ontwikkelen van ideeën in de praktijk centraal staat. (Potjer onderscheidt verder gecontroleerde experimenten, die een vooraf vastgestelde oplossing testen en terloopse experimenten, die al doende ontstaan.)

Dan had ik er meer tijd en energie in gestoken om de kans te vergroten dat experimentele bevindingen konden doorwerken in beleid en regelgeving. In de woorden van Potjer: “…experimenteel bestuur gaat niet over wat er binnen een experiment gebeurt maar juist om alles wat daar omheen moet plaatsvinden om experimenten daadwerkelijk te laten bijdragen aan brede systeemverandering.”

En dan had ik zeker een pilot minder gedaan om met de uitgespaarde middelen het leren te bevorderen binnen de individuele en vooral tussen de pilots. Betrokkenen elkaar regelmatig laten ontmoeten, ervaringen systematiseren en uitwisselen, er misschien een vorm van actieonderzoek van maken.

Pilot paradox

Een waardevolle aanvulling op Potjers publicatie is wat mij betreft de door Van Buuren c.s. beschreven pilot paradox. (De bron zit achter een betaalmuur. Maar zie bijvoorbeeld dit artikel.) Ze onderzochten waarom met de uitkomsten van succesvolle pilots zo vaak helemaal niets gebeurt. De voorwaarden voor pilotsucces blijken lijnrecht tegenover die voor blijvende verandering te staan. Pilots gedijen bijvoorbeeld in een vrijplaats met extra middelen en het enthousiasme van voorlopers. Maar voor blijvende verandering is inbedding nodig in bestaande kaders en reguliere budgetten en ook het geduld van volhouders.

Schil

Had ik dus ook van de pilot paradox geweten dan had ik met de uitgespaarde middelen een schil van beleidsmakers, regelgevers, bestuurders en financiers rond die experimenten kunnen plaatsen: de mensen die haalbaar gebleken experimentele uitkomsten gangbaar kunnen maken.

Met de kennis van nu valt er aan mijn aanpak van toen nog heel wat te verbeteren. Overigens is dat een geruststellende gedachte. Alleen door te experimenteren kom je er immers achter, wat er beter kan.