Marie-Josée Dries - 06 22455433       Gert van der Kolk - 06 51050119 info@oio.nl

PDF

Nieuwjaar

“Wat is het nut van sociologie?” is de titel van het boekje met gesprekken die Jacobsen en Tester voerden met de inmiddels hoogbejaarde socioloog Zygmunt Bauman. Door die beschouwende vraag is het echt iets voor de kersttijd – als de vroeg invallende schemer, de lichtjes in de kerstboom en het rap naderbij hollende nieuwe jaar uitnodigen tot enige contemplatie. (Voor iedereen overigens de beste wensen voor een mooi 2016!)

Tegenwicht

Met plezier heb ik het gelezen. Ik heb een zwak voor Bauman, die het opneemt voor de mensen die als collateral damage in onze “moderne, vloeibare” samenleving het nakijken hebben. Maar bovenal ben ik altijd geïnteresseerd in een sociologisch perspectief op en voor procesmanagement – als tegenwicht tegen de enorme hoeveelheid sociaal- en organisatiepsychologische literatuur waar je je door kunt laten stutten, als je op zoek bent naar draagvlak en draagkracht voor je strevingen.

Overstijgen

Want de vraagstukken waarbij procesmanagement wordt ingezet, overstijgen doorgaans het particuliere of interpersoonlijke perspectief. Het gaat dan over het afwegen van verschillende, mogelijk tegen elkaar in werkende maatschappelijke belangen – een groenstrook bebouwen of niet, betaald parkeren al dan niet invoeren, wel of geen nieuwe natuur aanleggen, een bushalte verplaatsen of laten staan, een deel van de openbare ruimte wel of niet aan bewoners in zelfbeheer geven, regels voor nieuw- en verbouw handhaven of juist loslaten, et cetera. De uitkomsten zijn nauw verknoopt met de verhoudingen tussen groepen: wie krijgt, gegeven de omstandigheden, zijn voorkeuren gekozen én gerealiseerd?

Component

Het viel me op dat het vertrekpunt dat Bauman voor de socioloog definieert sterk lijkt op dat van een procesmanager: “…nauwkeurige observatie van het menselijk gedrag, empathie met de ervaringen van de actor[en], (…) het vergelijken en naast elkaar leggen van hun perceptie van de situatie zoals die in hun keuzes tot uiting komt met wat er bekend is van de omstandigheden (…) waardoor de waarschijnlijkheid van hun keuzes wordt vergroot of verkleind.”

In die keuzes zit een morele en ethische component waar we ons in een instrumentele toepassing van procesmanagement niet altijd even sterk rekenschap van geven – want kiezen betekent het ene doen en het andere niet, en treft altijd (groepen van) mensen in hun belangen en behoeften. Van Bauman steek ik dan onder meer op, niet gemakzuchtig in de valkuil van de win-winoplossing te stappen. Alleen de zon gaat voor niets op, verder hangt aan alles een factuur en de win-winpresentatie versluiert waar die wordt neergelegd. Een goede procesmanager helpt zichtbaar te maken wat een oplossing wél kost en wie daar voor opdraait. Dan kunnen mensen des te beter keuzes maken “als antwoord op de uitdagingen van de sociale situatie” waarin zij zich bevinden en de “onregelmatigheid, onzekerheid en ondefinieerbaarheid” die daar inherent aan is.

Appelen

Bauman ziet mensen niet alleen als onderwerp van onderzoek, maar ook als partners in een dialoog. Voor sociologen ziet hij de opdracht om daarin “vermeende vanzelfsprekendheden te ontmaskeren” en “het onbekende vertrouwd te maken”, zodat mensen hun situatie en keuzemogelijkheden beter kennen.

Het “buiten de lijntjes kleuren” en “de taart vergroten”, wat tot de standaardbagage van de procesmanager behoort om meer te kiezen te hebben, is daarvan een instrumentele echo. Bauman geeft aan die meer instrumentele benadering een morele dimensie. Overweging voor de jaarwisseling: hanteren we die ook in procesmanagement? Of is het dan “Wie appelen vaart, die appelen eet”?