Marie-Josée Dries - 06 22455433       Gert van der Kolk - 06 51050119 info@oio.nl
Goudwasser

Naar aanleiding van de affaire-Stapels kraakt Arnon Grunberg in de Volkskrant van 2 november een harde (voet)noot over het naar zijn idee choquerende amateurisme waarmee in de menswetenschappen onderzoeken worden uitgevoerd. Hij besluit met: “Ik vrees dat sociologie, sociale psychologie en grote gebieden van de antropologie slechts de voortzetting zijn van de romankunst met andere middelen. En met weinig gevoel voor esthetiek.”

Dat laatste is onmiddellijk herkenbaar. Er zijn veel menswetenschappelijke boeken en artikelen waar met boor en beitel nog niet doorheen te komen valt. Slecht gestructureerd, beroerd geschreven en op de uitgeverij was kennelijk geen geld meer voor een eindredacteur. Het maakt van de lezer een goudwasser: hard en onaangenaam werken voor een schrale beloning.

Toverberg

Maar “…een voortzetting van de romankunst met andere middelen”? Grunberg bedoelt vast niet dat het met de romankunst net zo beroerd gesteld is als met de schrijfkunsten van de menswetenschappers. En wat is er mis mee, de romankunst met andere middelen voort te zetten? Je zou willen dat iedere sociale wetenschapper zo literair kon schrijven als emeritus
universiteitshoogleraar Abram de Swaan, die dat bovendien ook nog ’s wetenschappelijk heel verantwoord doet. Of zo soepel als Paul Schnabel. Bovendien kun je Grunbergs stelling omdraaien: de romankunst als voortzetting van menswetenschappen met andere middelen. Denk aan De Toverberg van Thomas Mann, die óók te lezen valt als een interpretatie van de overgang van pré-moderne naar moderne wereld. Of, wat dichterbij huis, de dekolonisatieroman Oeroeg van Hella Haase. Of, wat recenter, de antropologische roman “Alleen maar nette mensen” van Robert Vuijsje.

Anekdoten

En dan het choquerende amateurisme. Grunberg doelt op de vragenlijsten die wetenschappers respondenten laten invullen. Het kan echter nog erger: het is tegenwoordig in, om een paar casussen te beschrijven en daar stevige conclusies aan te verbinden. Dat is geen feitenverzamelen meer, dat is anekdoten opschrijven. Dat mag, maar het is de vraag of het wetenschap is.

Onderzoek

Daarom is de uitgave van de tweede editie van Manuel Castells’ beroemde trilogie “The rise of the network society” een verademing. Dat staat bol van het onderzoek, van tabellen en grafieken, van feiten en cijfers waarmee Castells zijn in gebeeldhouwde taal geschreven concepten ondersteunt en onderbouwt. Omvang en diepgang van het werk kunnen intimiderend overkomen. Lees dan in elk geval de nieuwe inleidingen die Castells heeft geschreven. Alleen al daarin valt voor wie zich professioneel met procesmanagement bezighoudt veel te halen. Door associatie en verbeelding dan wel, want Castells heeft het niet over procesmanagement an sich.

Lees die inleidingen dus, zoals je een roman leest. In feite nodigt de auteur, die op leeftijd raakt, je daar in de laatste regels van de inleiding op deel 1 zelf toe uit met de woorden: “If you think that the approach I proposed, in spite of its obvious flaws,  relates to your experience, this is all the comfort this author needs to peacefully fade away.”

 

Castells, Manuel: The information age: economy, society, and culture, 2nd ed., Wiley-Blackwell 2010
Vol 1: The rise of the network society
Vol 2: The power of identity
Vol 3: End of millennium