Marie-Josée Dries - 06 22455433       Gert van der Kolk - 06 51050119 info@oio.nl

Klaar!

Knutsel knutsel, alweer een rapport klaar.

Dat is de indruk die bij mij bleef hangen toen ik Publieke Beleidsbemiddeling had gelezen, een rapport van het Amsterdams Centrum voor Conflict Studies in opdracht van het ministerie van BZK (en aldaar te downloaden). Het is een vlechtwerk met gaten en losse draden, dat wel wat belooft maar toch teleurstelt. En dan heb ik het niet over de ontbrekende voeg- en lidwoorden, noch over de moeizame omgang met d’s en t’s.

MGA

Publieke beleidsbemiddeling is, aldus de auteurs, “een methode voor partijen betrokken bij een mogelijke controverse om, ondersteund door een beleidsbemiddelaar, via onderhandelingen te zoeken naar een belangengerichte consensusovereenkomst als vertrekpunt voor een legitiem, effectief en stabiel overheidsbeleid.”

Daarmee lijkt het als twee druppels water op de Mutual Gains Approach (MGA). Het verschil lijkt erin te zitten dat publieke beleidsbemiddeling zich bepaalt tot belangenconflicten waarbij de overheid altijd partij is en de uitkomsten uiteindelijk in regelgeving en overeenkomsten moet omzetten. MGA wordt daarmee vergeleken breder ingezet.

Ervaring

Publieke beleidsbemiddeling is volgens de auteurs in de Nederlandse praktijk “onderbenut”; het rapport beoogt ondermeer de kansen en beperkingen voor een bredere toepassing in beeld te brengen en daarnaast te beschrijven hoe de methode werkt. Daarbij leunt men zwaar op Lawrence Susskind, die we ook al tegenkwamen als de auteur van het door Frans Evers naar de Nederlandse praktijk vertaalde boek  “Het kan wel” over de Mutual Gains Approach. En Evers is de enige Nederlandse beleidsbemiddelaar die (in het Engels nota bene)  in het rapport wordt geciteerd – maar dan ook veelvuldig. Als de auteurs schrijven dat “… de ervaring leert dat in Nederland vaak een overheid op eigen initiatief een beleidsbemiddelaar selecteert…”  denk je onwillekeurig toch, dat dat Frans Evers’ ervaring is.

Innovatie

En waar Evers’ boek amper over macht gaat, komt het in Publieke Beleidsbemiddeling wel degelijk aan de orde. Het concept is echter nogal altmodisch opgevat als het vermogen om een partij te dwingen iets te doen wat ze anders niet zou doen en sluit daarbij niet aan bij meer hedendaagse, subtielere opvattingen.

Het Harvardmodel voor onderhandelen, de Mutual Gains Approach en verwante benaderingen worden geassocieerd met conflictoplossing. Daarom maakte de stelling van de auteurs dat beleidsbemiddeling ook geschikt is voor beleidsinnovatie nieuwsgierig naar technieken en voorbeelden. Helaas wordt die stelling niet verder uitgewerkt, noch met voorbeelden geïllustreerd.

Capaciteit bouwen (?)

Wel besteden de opstellers er een hoofdstuk aan, dat partijen in beleidsbemiddeling in velerlei opzicht van elkaar leren en dat een beleidsbemiddelaar een lerende houding bij hen moet bevorderen en benutten. Maar omdat ze niet dieper ingaan op hoe mensen leren en hoe zij daarin onderling overeenkomen en verschillen blijft het bij nogal obligate inzichten en vaststellingen. Zonde, want ze hebben hier een relevant punt te pakken dat zelden in de procesliteratuur uitvoerig wordt belicht.

Een afknapper is het laatste, programmatische hoofdstuk, waarin de auteurs hun gedachten ontvouwen hoe “…men de capaciteit (kan) creëren en volhouden om bemiddeling toe te passen in de ontwikkeling en uitvoer (sic) van beleid”. Men benoemt allerlei elementen om aan die capaciteit te “bouwen”, maar dan ben ik al zo afgeleid door dit anglicisme (capacity building, wat heel wat anders is dan aan capaciteit bouwen) en andere (organizaties, vgl organizations) dat de boodschap achter het lapwerk is verdwenen.