Marie-Josée Dries - 06 22455433       Gert van der Kolk - 06 51050119 info@oio.nl

Leren

Als je een vak wilt leren bof je met een baas, collega’s, klanten, opdrachtgevers die iets kunnen wat jij niet kunt en bij wie je de kunst mag afkijken. Maar wat kijken we dan eigenlijk af? Van de negen betekenissen die de dikke Van Dale geeft voor “kunst” in elk geval de “vaardigheid” en “bekwaamheid” van wie we ons ten voorbeeld stellen en hopelijk ook een “listige handeling” of twee, drie, die van pas komen als vaardigheid en bekwaamheid niet toereikend blijken.  Maar zeker niet het “artistiek vermogen van de kunstenaar“, want dan had Rembrandt’s atelier meer Rembrandts dan navolgers opgeleverd.

Trits

Van de trits kennis, kunde en kunst gaat “de kunst afkijken” wel over kennis en kunde en de toepassing daarvan in de praktijk, maar nou net niet over hoe je daar kunst mee maakt. Want nee, je kleuter kan echt niet een nonfiguratief schilderij van kunstzinnige waarde bij elkaar vingerverven en eindeloos herhaalde noten maken nog geen seriële muziek. Of als het gaat om vakontwikkeling: de methoden en technieken van diverse vormen van procesmanagement zijn leerbaar en bespreekbaar, maar soms zie je iemand tot een resultaat komen waarvan je je afvraagt “hoe krijgt hij het voor elkaar?”

Op zoek naar antwoorden vertelt iemand dan vaak wat hij heeft gedaan in plaats van hoe hij dat heeft gedaan, om uit te komen bij dooddoeners als “ervaring denk ik” of “ja, eh, intuïtie?!” Het is om een vak te ontwikkelen onbevredigend, maar misschien is iemand die een vak virtuoos en kunstzinnig toepast daarin inderdaad onnavolgbaar en weet hij niet hoe hij het doet.

Keihard

Graag lees ik dagboeken, herinneringen, brieven en (auto)biografieën van musici, schrijvers, politici  – in het algemeen: van mensen die iets kunnen – omdat ze daarin altijd wel iets laten zien van hoe ze zijn gaan kunnen wat ze doen. Neem Philip Glass die, hoewel inmiddels al aardig op leeftijd, recent Lowlands aan zijn zegekar bond, als componist en uitvoerend muzikant nog zeer actief is en ook nog de tijd heeft gevonden om a memoir  te schrijven. En wie Words without music leest mag die productiviteit niet verbazen; de man heeft sinds zijn jonge jaren kennelijk keihard gewerkt, eerst aan de universiteit om kennis te verzamelen, daarna om zich in compositie te bekwamen en zijn eigen toon te ontwikkelen, in zijn onderhoud te voorzien zolang hij van zijn muziek nog niet kon leven en toen de gang er eenmaal in zat de muzikale ideeën te verwezenlijken waar zijn hoofd vol van blijft.

Aandacht

Glass schrijft: “Sometimes a player will say to me: “Is this an A or an A flat?” and I’ll say to him, “I don’t know.” “How can you not know? You wrote it.” Well that’s the point. I wrote it, but I wasn’t there.” Glass beschrijft hoe hij alle aandacht die hij kan opbrengen moet verzamelen om de muziek te visualiseren die hij in zijn hoofd denkt te horen. Daardoor schiet er geen aandacht meer over om zichzelf waar te nemen tijdens het schrijven van die muziek: “The “I” that was watching wasn’t there. The witness of my life at that moment had been sacrificed.”

Zonder waarnemer geen reflectie en zonder reflectie is die laatste stap van kennis en kunde naar kunst niet overdraagbaar te maken. Romantisch, dat wel, maar voor vakontwikkeling natuurlijk hopeloos.